Coen Beeker

Pontanusstraat 8: het dispuutshuis van DE TOORTS

Dolend in het landschap van herinneringen kun je al snel struikelen in valkuilen. Was het wel zo, of was het toch heel anders in deze woelige jaren van weleer? Uit volle borst zongen wij tijdens de introductiedagen in 1959: Studentenjaren gaan voorbij, voorbij die lieflingsbeelden, de korenmuhl wil niet meer maal, mijn schulden moet ikzelf betaal.

Als beursstudent kon je genieten van een vaste toelage,die zo maar op je kersverse giro verscheen. Met twee “Kabeljauwsen” vond ik onderdak in de Tooropstraat. Een ruimte van circa 6 m2 met wastafel, werd mijn eerste honk voor de duur van twee maanden. Toen verkaste ik naar een achterhuis in de van Nispenstraat, met keuken. Een badhuis was in de naaste omgeving. Niet ver ook van de houten keet waar toen de Sociëteit Roland was gevestigd. De groentijd was een belevenis en bood gelegenheid om kennis te maken met enige disputen. Zo leerde ik enige leden van De Toorts kennen en werd opgenomen in deze kring, samen met Wiebe Fransen en nog een classicus waarvan de naam niet op mijn scherm verschijnt. Deze classicus verdween na enige jaren uit ons dispuut.

Valkuil één doemt dan op: hoe kwamen Wiebe en ik in 1960 in de Pontanusstraat 8 terecht? De naam Grand Jean verschijnt wel in beeld. Deze huisjesmelker beschikte over diverse panden in Nijmegen. Zijn zoon was tweedejaars in ons dispuut, samen met Jan Mans, Toon Baar en Jan Braakhuis. Aan de achterzijde met zicht op onze tuin, trok Jan in op de opkamer, Wiebe op de begane grond en Toon in het souterrain. Naast Toon bivakkeerde Arnold en aan de voorzijde van het huis woonde in een ruime kamer in deze kelder ook Adje van de Ven. Op de begane grond was een WC. Een douche hadden we niet. Ging iedereen naar een badhuis voor een wekelijkse beurt? In de gang naar de voordeur had Alexander Spoor zijn intrek gekozen, met zicht op de tuin. Tenslotte woonde ik in de voorkamer en kon de bewegingen gadeslaan in de naaste omgeving . De bakker was aan de overkant van de straat.

Diverse leden van ons dispuut werkten ijverig mee aan de verbouwing van een gaarkeuken tot studentenkerk van Nijmegen. Valkuil twee is stellig dat ik mij enkel de verfkwast kan herinneren die ik soms hanteerde om een muur te bekladden. Harry Verstappen kan ons geen details meer vertellen over dit unieke bouwproject; waarschijnlijk wel Toon Colen die vele jaren nauwe contacten met Père van Waesberghe heeft onderhouden. De Père kwam in deze periode ook het Toortshuis inzegenen. Toen hij op de opkamer kwam was Jan met zijn geliefde in de weer. Deze heeft hij toen maar extra besproeid.

Onder begeleiding van zijn rechterhand, pater Hensen, namen enige leden van ons dispuut deel aan een bijbelkring op mijn kamer. Valkuil drie is dan simpel te omschrijven: iedere herinnering aan wat daar aan de orde kwam is in de vergetelheid verzonken. Misschien kan Wiebe nog enige saillante onderwerpen die aan bod kwamen, opdiepen uit zijn geheugen.

“Wij houden De Toorts geheven, het eeuwig laaiende licht. Wij leven het studentenleven, daarop is onze vriendschap gericht”. Deze strofe klonk luid uit de spelonken van de kelder bij de inauguratie van nieuwe leden. Adje stelde zijn kamer hiervoor beschikbaar. Ook trouwens voor diverse andere festiviteiten van het dispuut. Een vrijheid die gekoesterd werd in de ruim 50 maanden dat Wiebe en ik in dit Toortshuis verbleven. Niet iedereen bleef zo lang hokken. Arnold en Toon storten zich op de medische studie en hadden inmiddels vaste verkering. Martin Nieland nam de kamer van Toon over en Frans Mikx kon zijn herbarium/aquarium (?) bouwen in de kamer van Arnold. Adje hield het in 1961 ook voor gezien en bood Toon Ploegmakers de gelegenheid zijn fameuze eieren te bakken in de late uren van de ochtend.

De opkamer van Jan zag een nieuwe bewoner verschijnen: Hans Hoefakker die beroemd en berucht werd door de talrijke keren dat hij zijn handen aldaar iedere dag heeft gewassen. Voor een medicus in spe, voorwaar een nuttige bezigheid. Zijn opvolger Hans Volman deed het wat rustiger aan. Altijd gezellig om met hem te kletsen in dit bovenkamertje.

Mijn flamboyante buurman Alexander had Amsterdam verlaten om in Nijmegen zijn studie Biologie af te ronden. Hij wist altijd wel een reden te vinden om aan te kloppen. Dat kon het lenen van je zoutvaatje betreffen, brood en smeersel bij je te halen en snel op weg te gaan naar een college, je Volkskrant te lenen die jezelf nog niet bekeken had of een nieuwtje met je te delen. Eens vertelde ik hem dat in juni 1961 een traditioneel festijn in mijn dorp Arcen zou worden gehouden. Ik was koning van de Schutterij en zou tijdens het “vogelschieten” mijn versieringen kunnen overdragen aan een nieuwe heerser van dit rijk. Wie schetst mijn verbazing dat diverse leden van het dispuut naar Arcen togen. Na mijn aftreden kwam Alexander opdagen met een fraaie krans waarmee ik kon terugkeren naar ons feestlokaal. In dit lokaal vond een verbroedering plaats met de nieuwe koning en leden van de schutterij. Na zijn vertrek trok Hielke van der Ganst in op zijn kamer. Hij was een actieve roeier en maakte vaak veel kabaal. Ook hij kwam eens naar Arcen, tijdens mijn verloving in mei 1965 op de boerderij van het kasteel waar mijn ouders woonden. Toen Hielke per bus naar Nijmegen wilde terugkeren liep hij langs de kazerne van de maréchaussée en kon het niet laten zich laatdunkend uit te laten over een ambtenaar in uniform van deze dienst. Hij werd ingerekend en kon zijn roes uitslapen. De volgende ochtend werd hij vroeg gewekt.

Nu ik toch bezig ben kan ook vermeld worden dat Martin enige tijd meespeelde met de schaakclub ARX in mijn dorp. Hij sleepte ook nog een andere schaakliefhebber mee. Dat was een belangrijke versterking van ons tiental. We werden zelfs kampioen en promoveerden naar de eerste klasse van de Limburgse schaakbond. Na 2000 heb ik gepoogd een schaakgenootschap van De Toorts op te richten. Wel heb ik enkele boeiende partijen kunnen spelen tegen Jan Schillings en Jan Mans. Voor herhaling vatbaar,00k zonder genootschap.

In januari 1965 vertrok ik naar Amsterdam voor mijn studie Planologie aan de UVA. Mijn kamer werd overgenomen door Gerlach Pieters. Alle nog in leven zijnde bewoners van de Pontanusstraat zullen hun eigen herinneringen koesteren aan hun verblijf in het dispuutshuis. Ter verdieping van ons Liber Facis zou iedere bewoner uitgenodigd kunnen worden om een kort opstel te schrijven over zijn ervaringen en belevenissen. Het Frans woord “anecdote” wordt omschreven als een verhaal van een eigenaardig of kluchtig voorval. Benieuwd wie in deze vierde valkuil zal trappen.

Jonvelle (Haute Saône), 15 oktober 2013