Hans Hoefakker

Overpeinzingen bij een bijdrage over “Herinneringen aan Pontanusstraat 8, HET TOORTSHUIS”

Het is zaterdag 21 december 2013. Al diverse keren heeft Coen Beeker – waarschijnlijk daartoe aangespoord door Arnold Crébolder – via e-mail aan ex- bewoners van het toortshuis gevraagd om over hun verblijf in het huis hun gedachten op papier te zetten. Bij mij kwam elke keer de vraag naar boven

a) wat is het dat toortsleden gemeenschappelijk hebben, behoudens het ooit verkregen lidmaatschap van het dispuut en b)waarom de behoefte om wederwaardigheden uit het dispuutshuis aan het papier toevertrouwen en wie zal ze nog lezen?

Ad a): Het dispuut heeft inmiddels een historie van meer dan 65 jaar achter zich. Naar mijn indruk werd de Toorts bemand door mensen, die – meer dan bij andere disputen – immateriële idealen hadden. In de beginjaren waren het met name juristen die lid werden van het dispuut. Sla er de reünistenlijst van het dispuut –zoals vermeld in de almanakken van het Nijmeegsch studentencorps – maar op na. Was het het gevoel voor recht- en onrecht dat een binding gaf? Natuurlijk vond ook het feit, dat de katholieke universiteit – die – door het episcopaat bepaald – Nijmegen als standplaats kreeg – bij lange nog niet volledig was uitgebouwd een verklaring voor het feit, dat het aantal rechten-studenten verhoudingsgewijs groot zal zijn geweest. In hoeverre religieus bepaalde opvattingen een bindingsfactor zijn geweest, wie kan het nu nog zeggen. Feit is, dat regelmatig ook priesters deel hebben uitgemaakt van het dispuut, dat de nood-kerk van de studentenparochie met name door inspanning van de Toorts van de grond kwam en dat er een goed contact bestond tussen de pastores en menig dispuutslid. Ongetwijfeld is in de loop van de tijd het katholieke karakter van de universiteit meer op de achtergrond geraakt. De oprichting van de bètafaculteiten heeft daarbij mogelijk ook een rol gespeeld. Ook in het dispuut kwamen meer en meer leden uit niet alpha-faculteiten, met name de laatste jaren ook uit de medische faculteit. Misschien was ook sportiviteit een bindende factor. Gedurende langere tijd werd een niet onaanzienlijk deel van de toortshuis-bewoners gevormd door Phocas-leden. Onder hen onder meer Arnold Crebolder, Hielke van der Gaast, Hans Hoefakker, Henk van der Roer, Gerlach Pieters, Martin Nieland. Ad b): Zoals hierboven aangegeven, is het moeilijk te zeggen wat de toorts-identiteit precies is, als er al iets als een dergelijke identiteit bestaat. Maar hoe dan ook men wil deze blijkbaar voor het nageslacht vastleggen en behouden. Ik denk, dat het behouden van het het d.n.a. van de Toorts het beste gewaarborgd wordt door op alle(!) volgende lustra – te beginnen dus in 2016- alle kleinkinderen van de huidige toortsleden in een apart balzaaltje te laten feesten, zodat het toortsvirus aan elkaar wordt overgedragen . Deze gedachte is opgebouwd naar analogie van het gebruik in de VS om grote bals van jong-verliefden te organiseren en het rode-hond virus daar te introduceren, zodat de aanwezigen dames de rode hond zullen krijgen en in de toekomst niet meer aan de eventuele zeer schadelijke gevolgen van deze virus-infectie zijn blootgesteld omdat zij dan een immuniteit voor deze aandoening hebben opgebouwd. Op deze wijze kan de toortsidentiteit voor het nageslacht behouden blijven!!!!

Hans Hoefakker