Martin Nieland

De zomer van 1964.

Ik woonde al weer bijna twee jaar aan de Pontanusstraat. ’s Zomers werd het meestal een beetje stil op het Toortshuis. De meeste bewoners vierden dan vakantie. Sommige anderen lieten zich op de ouderlijke thuisbasis in de watten leggen na een druk studentenjaar. In mijn geval bleef ik die zomer van 1964 op de Pontanusstraat achter om vakantiewerk te gaan doen. De huishoudkas moest nodig weer wat aanvulling krijgen. Ik had geluk dat ik van Hielke van der Gaast zijn bouwvakkerswerk bij aannemer Vergeest in Kranenburg kon overnemen. Daar bewaar ik na zoveel tijd nog steeds mooie herinneringen aan.

Dat werk in de bouw was overigens nog niet zo heel eenvoudig. Je moest ’s morgens in alle vroegte opstaan, boterhammen eten, je pakje brood voor de schaft gereedmaken. Dan de fiets op, via de Berg en Dalseweg de bult over bij Berg en Dal. En vooral er voor zorgen dat je uiterlijk zeven uur in Kranenburg present was.

Vergeest bekeek zo met timmermansoog je fysiek en deelde je dan bij een ploegje van zijn werklui in. Ik werd opperman gemaakt, al wist ik op dat moment nog niet wat dat inhield. Dat kwam gaandeweg die eerste week wel. Ik moest in ieder geval de metselaars aan het werk houden : zand en specie klaarmaken, stenen op de steiger aanvullen en een beetje in het platduits met de werklui grappen maken. Het ging me wel redelijk af maar Heinrich de voorman maakte me het dan ook niet al te moeilijk. Als kleine tegenprestatie verwachtte hij wel van mij dat ik eens per week Hollandse “Schinken” van een Nijmeegse slager voor hem meebracht.

Als ik ’s avonds moe kwam teruggefietst, was mijn eerste gang naar het bakkersvrouwtje aan de overkant van het huis. Volgens afspraak had ze voor mij elke avond een halfje bruin achteruit gezet. Dan naar het melkwinkeltje iets verderop. Verse melk en een ons gesneden kaas. Op de hardstenen trappen van het Toortshuis, uitgespreid op een krant, gingen vervolgens met grote happen de avond-boterhammen naar binnen. Zonder boter, zoals Hans Hoefakker ons jongerejaars dat ooit had verordonneerd.

Ik bleef meestal nog even een halfuurtje nagenieten in die lome zomeravondsfeer. En soms maakte ik ook even een praatje met onze vriendelijke bovenbuurman. De plaats voor de tv met het schaatsen van Ard en Keessie in de komende winter was zo ook weer veilig gesteld. En dan was het al weer tijd om het bed op te zoeken. Ik viel meestal meteen als een blok in slaap.

Het zijn natuurlijk niet de meest spectaculaire herinneringen aan mijn jaren op landgoed de Wylerberg, maar deze schoten me nu eenmaal het eerst te binnen.