Jan Mans

Vriendschap

In zijn spiksplinternieuwe Citroen reed hij ons naar Nijmegen. De vader van Toon Baar was gek van auto’s in het algemeen en van Citroens in het bijzonder. Het was zijn eerste ID. Een auto die, naar onze ideeën van toen, over de weg glééd en die elke kuil vakkundig opving en wegmoffelde. Op het Keizer Karelplein werden we er uitgezet. “Nou succes dan maar” en weg schoot hij. Daar stonden we dan. Midden in een voor ons vreemde stad, waar we één keer geweest waren om een kamer op de kop te tikken. Op de Parkweg. Nummer 50.Twee hoog. Bij mevrouw van Steen. Aan de voorkant het Kronenburgerpark en aan de achterkant Doddendaal, met uitzicht op de gedachteniskapel van de, in Dachau omgekomen ,carmeliet pater Titus Brandsma. Eén kamer voor twee man. Twee kamers was te duur, zo werd er vooraf geoordeeld, en dus gingen we het avontuur aan van een gedeelde kamer. Dat dat fout zou gaan wisten we toen ook al, maar in de beginfase bood dat samen optrekken ook wel weer steun, zeker in de –verlengde- ontgroeningsperiode. Toon ging medicijnen studeren en wilde zijn verworven kennis inzetten in Afrika. Ik stortte mij op de sociologie, had geen idee wat dat was, maar wist wel dat ik later burgemeester wilde worden en deze studie leek mij een goede voorbereiding. Vraag me niet waarom, maar ik heb er nooit spijt van gehad.

Nijmegen was een vreemde wereld voor ons. Bij mijn eerste “confrontatie” liep ik al schrammen op. Letterlijk en figuurlijk. Ik meldde me bij de aula , waarschijnlijk om me te laten inschrijven, maar zodra ik de deur had opengedaan grepen vier handen mij vast en wierpen mij letterlijk buiten. “Ga je eerst maar eens behoorlijk aankleden” kreeg ik te horen. Zoals wij dat op het gymnasium gewend waren was ik in trui! En dat kon echt niet. Ik heb nooit meer een trui gedragen sindsdien. Integendeel. Pakken of combinaties .Met vest natuurlijk. En ik heb dus ook niet hoeven meemaken wat een medestudent van ons wel overkwam toen hij in trui in de collegebanken verscheen: de hooggeleerde docent liep naar het raam, keek naar buiten, keek weer naar de man in trui en sprak de historische woorden: “Je hebt je woonwagen zeker achterom gezet?”.

De ontgroening bij Roland viel ons niet mee. Toon, die een zwaar Limburgs accent had, maar geboren was in Rotterdam, kreeg voortdurend op zijn donder als hij moest zeggen waar hij vandaan kwam. Hij werd, och arme, keer op keer voor grote leugenaar weggezet. Zelf genoot ik vooral van de ochtenduren als we zangles kregen van Jan Wortman, die ,compleet met strik en wandelstok, ons voorging in het kwelen van die prachtige liederen zoals “VanderLubbe”,”Mädel hält die Rökke fest wenn die Winde blasen”,” De IJscoman”, “Adriaan heeft syfilis” en meer van dat moois. De avond- en nachturen vonden we minder, maar we knokten er ons met verve doorheen. Ik ben zelfs nog klooien-praeses geweest. Een minpuntje was dat onze groentijd met een aantal weken verlengd werd. Als straf. Ik weet niet meer precies waarom ,maar ik herinner me wel dat we ietwat opstandig waren. Toen we een keer een groencommissaris met zijn allen hebben buitengezet, riep deze: “Uitstekend opgevoede klooien!”. Maar andere commissarissen dachten daar anders over. Verlenging dus. Ons jaarlied kreeg vervolgens de zeer toepasselijke titel: “Wij zijn de wreed vermoorde onschuld, die eens bij Roland binnenkwam”.

En toen was er ineens De Toorts. Ik had niks met dat dispuut. De Gong, Olifant en de Kardinalen trokken ook aan ons. Ik had wel oren naar De Gong, maar Toon vond De Toorts ook wel wat hebben. We hebben er dagen over gepraat en de zaken minutieus afgewogen. Ons grootste probleem was, toen, dat er bij de Toorts allemaal, in onze ogen, oude mannen zaten. Frans Boselie was de jongste en tweedejaars. Arnold Crebolder en Frits Vos hingen daar een beetje tussen in. De rest zat in het vierde jaar van zijn studie of hoger. En het bleek dat ze ook nog allemaal in dienst waren geweest, wat ze nog ouder maakte in onze ogen. We hebben echt behoorlijk geaarzeld. Mannen als Toon Colen, Harry Verstappen, Ton Gehlen, Fried Colen,Toon van der Eerden en Henk Droesen stonden mijlenver van ons af. Dat waren kerels, volwassen mannen. Wij waren nog nat achter de oren. Waarom we tenslotte toch voor de Toorts gekozen hebben? Ik zou het niet weten. Negatief geredeneerd: de Kardinalen werden gedomineerd door nogal expliciet aanwezigen zoals o.a. Jan Willem Bertens( die overigens gewoon Jan heet, maar het toegevoegde Willem wel mooi vond), de Olifanten vonden wij nogal ruw( ik ben op de Oranjesingel no 3, in hun huis ,tich keren met melk overgoten omdat ik de pech met mij meedroeg dat er net een slogan uit was: “Met melk meer Mans”) en de Gong-jongens waren weer net te net vonden wij toen. En dus werd het de Toorts. Het eerste wat er gebeurde was dat we bezoek kregen van, ik meen, Frank Boselie en Toon Colen,die ons kwamen vertellen dat dat wonen op één kamer maar snel afgelopen moest zijn. Het eigen Toortshuis was er toen nog niet . Daar hebben we toen op gewacht. Toon vertrok. Ik bleef op de Parkweg.

Op de Hoge Hoenderberg werden we bij de introductiedagen van het Corps geconfronteerd met grote namen zoals o.a. Schillebeekx en Van Duinkerken. Tot mijn grote verbazing kregen we van deze hooggeleerden te horen dat we ons vooral niet met de maatschappij mochten bemoeien, en ons primair moesten richten op studentenleven en studie. De rest zou later wel aan de orde komen. Ik was grotelijks verrast, want politiek geïnteresseerd, maar heb ,braaf, en achteraf blij, dat advies ter harte genomen en mij nergens anders mee bezig gehouden. Dat werd anders toen ik in mijn vijfde studiejaar een jaar lang stage heb gelopen op het stadhuis van Den Haag, o.a. bij burgemeester Kolfschoten. Ik heb toen uren op de tribune van de Tweede Kamer gezeten en gekeken en geluisterd naar mannen al Luns, Cals,Toxopeus en Van Thiel. “Den Haag” ,zowel het stadhuis aan de Javastraat en het Burgemeester de Monchyplein,als de Tweede Kamer hebben mij gestaafd in mijn overtuiging dat het openbaar bestuur mijn levenspad zou worden.

De studie? Die vond ik prima. Vooral toen ik ,na mijn kandidaats, ( soc.cand. stond er achter mijn naam op het onmiddellijk aangeschafte visitekaartje, dat je nodig had om afspraken met professoren te maken voor het doen van tentamens) de specialisatie openbaar bestuur kon gaan doen. Baron van Wijnbergen werd een van mijn favorieten. Een van mijn scripties, die hij moest beoordelen, ging over de gemeentesecretaris. Niet verwonderlijk. Ik had in Den Haag een wel zeer uitgesproken secretaris zien opereren ( Dr. Van Praag) die tijdens raadsvergaderingen driftig “nee “zat te knikken als een wethouder iets beweerde wat hem niet aanstond. Dat ik tenslotte met een cum ben afgestudeerd heb ik niet in de laatste plaats aan de baron te danken. En aan Dr. Gerard Marsman, mijn coach en vertrouwensman in mijn doctoraalfase. Wonderlijke man. Fantastische kerel. Later getrouwd met Rikie Koopmans, een jaargenote van mij.

Intussen hield het dispuut ons wel in de gaten. Toen ik met mijn eerste meisje kwam aanzetten,( dat niet studeerde) werd mij subtiel duidelijk gemaakt dat ik nog maar eens goed moest nadenken. Ton Gehlen speelde toen de rol van aartsvader. Bij hem repeteerde ik ook. Inleiding recht, Cerutti, heb ik dankzij zijn vaderlijke steun goed en de eerste keer kunnen afronden .De heren leerden ons ook bridgen. Na het eten in de mensa, werd er aan de ronde tafel in het gebouw aan de Oranjesingel gebridged. Lief en leed van wel of niet behaalde studieresultaten werd broederlijk gedeeld. Het dispuut als vervangend gezin.

De verhoudingen in de wereld lagen nog muurvast. Een professor was een professor en onaanraakbaar. Als je alleen al naar Professor van der Grinten keek was je al onder de indruk. Henk Droesen, Ton Gehlen,Toon Colen ,Frits Vos en Wim Stouthart hadden heel wat met de goede man te stellen. Winkelman was ook zo iemand. En wie kent niet de verhalen van de hooggeleerde Prick, gek tot in zijn tenen, maar wel zeer gevreesd. Met een visitekaartje meldde je aan huis van de hooggeleerde om een afspraak te maken voor het ,uiteraard mondeling, afleggen van een tentamen. Daarna kon je alles meemaken. Ik heb een keer drie uur zitten wachten op mijn docent statistiek ,die mij straal vergeten was. Het tentamen was daarna snel gepiept. Zeer tevreden ben ik met een negen op zak huiswaarts gefietst. De goede man moest wel aardig zijn. En de kledingrituelen bij het afleggen van examens waren heel subtiel. Vóór vijf uur naar binnen in rokkostuum met zwart vest. Na een uur zweten en voordat je de uitslag kreeg vervolgens snel dat zwarte vest verwisselen voor een wit vest. Jongerejaars werden geacht je daarbij te assisteren. Avondkleding ,nietwaar! Wat hebben we ‘genoten’ van de extraneï die in jacquet hun doctoraal kwamen doen. Bij Duynstee kreeg je alleen daarom al drie maanden aan je broek. Het waren wonderlijke tijden.

Naarmate mijn studie vorderde kwam het dispuut meer en meer op de achtergrond. Ik verdween naar het westen van het land. Nijmegen was ineens heel ver weg. Aardig als de mannen zijn hebben ze me nadien weer opgenomen en mag ik meedraaien als reünist.

Nijmegen 1958-1964.Als je nu terugkijkt lijken het welhaast vooroorlogse beelden. Misschien zijn het dat ook wel. De maatschappij van na de oorlog herbergde nog zeer veel van hetgeen als sociaal patroon van voor de oorlog gold. De verzuiling stond recht overeind. De standsverschillen waren voelbaar. Je hoorde erbij of je hoorde er niet bij. Studeren betekende dat je een kans kreeg er echt bij te horen .De verschillen in achtergrond droeg je mee. Toen ik mijn kandidaats haalde was er groot feest in huize Mans. Toen Sweigman met zijn papiertje thuiskwam, keek zijn vader op van achter de krant en mompelde: “O, heb je je Mulo-A gehaald”. Treffender kan ik het niet uitdrukken.

Mijn vriendschap met Toon Baar,al tijdens onze worsteling om gymnasium B te halen begonnen, heeft een leven lang stand gehouden. Bij alle belangrijke gebeurtenissen in ons leven hebben we elkaar opgezocht ,hoe ver we ook uiteen woonden. En we zijn dat blijven doen totdat de dood ertussen kwam. Tot mijn verdriet hebben we Toon zien sterven. Samen hebben we nog, een half jaar voor hij stierf, een reis door ‘zijn’ Tanzania gemaakt.

Zo is het leven. Tot de dood ons scheidt.

Ama et Fac Quod Vis

Jan Mans