Jan Schillings

Jan-Schillingsmet-mme-deMaintenonweb

Herinneringen van een thuiswonend Toortslid 

1

Veranderingen van opleiding en loopbaan voltrokken zich in mijn leven steeds naar wens. De overgang van de kleuterschool naar de lagere herinner ik me niet eens : zo soepel ging dat zelfs. Ronduit glorieus is de entree op de middelbare. Het is dan 1945 : alle oorlogskinderen zijn vrijgesteld van het gevreesde toelatingsexamen. Hoewel ongetraumatiseerd, ik dus ook. Drempelloos kan ik me derhalve voegen bij het koor van leerlingen dat, volkomen vergeefs overigens, de Jezuïeten van het Canisiuscollege jaarinjaaruit de vraag voorlegt of de almachtige God nu wel of niet een steen kan maken zo zwaar dat Hij die niet kan optillen.

Ook bij de overstap naar de universiteit zit het niet tegen. We schrijven dan 1952 : we hebben geluk. Er is gevaar voor kinderverlamming : klooien mogen dit jaar absoluut niet kikkeren! Minzaam neemt de ontgroeningscommissie genoegen met een nederig kruipen. Op dit moment is de universiteit nog gewoon katholiek immers. Ook het niet toegestaan de gepresenteerde klooienkoppen voor honderd procent kaal te scheren. Gevreesd wordt klaarblijkelijk dat de eigenaren in de te stichten ontgroeningsverwarring de fout zouden kunnen begaan, in plaats van kou polio te vatten. Uit de vergadering hieraan door de ontgroeningscommissie gewijd is gelukkig niet gelekt, maar uit een ons overgeleverde identiteitsfoto kan met zekerheid worden afgeleid dat er een wijs besluit is genomen : aangezien polio, naar wordt aangenomen, in een duikvlucht toeslaat (de talrijke ypsilons van het Griekse Myelytys laten daar weinig twijfel over), is het vooral zaak de bovenzijde een égelig uiterlijk te geven. De rest kan er gewoon af.

Collegekaart Jan Schillings

2

“om kroeglid te wezen, en meer in het bijzonder om kroeglid te zijn, moet ik bij Roland zijn” verneem ik. Voor mijn hoog nodige ontgroening vervoeg ik me dan ook te zijnen huize, gevestigd in het toekomstige O42 waar het zestig jaar later zo naar soep (à la Huub) zal ruiken. Bij mijn komst stinkt het er ook behoorlijk, maar anders.

Terwijl ik over de drempel stappend die zurig verschaalde lucht probeer te identificeren, word ik met luid gebrul tegemoet getreden door een ontgroener pure-bière : de imposante en alom bekende poepouderejaars Pierre Hefheer (ik vermoed dat hij, hoewel inmiddels overleden, niet herkend wil worden, daarom heb ik de drie lettergrepen van zijn naam maar gesynonymiseerd). Gelukkig ken ik hem, en hij mij, van ons gemeenschappelijke Union. Bij deze vereniging heb ik kort geleden mijn prachtige voetbalcarrière aangevangen, terwijl Pierre er, wat verder terug, als keeper triomfen heeft gevierd.

Op genoemde drempel is hij van oordeel dat hij mij eens goed moet laten merken wat mij de komende weken te wachten staat. Hij grijpt mij derhalve bij beide revers (mijn moeder heeft me aangeraden toch maar iets nets aan te trekken), en begint mij eens flink door mekaar te schudden, om plots met een iets hogere en nogal ongodvruchtige schreeuw te stoppen.

3

Ons gemeenschappelijk verleden, in casu het unionspeldje met zijn lekker scherpe puntje, dat ik links opgespeld draag, wordt hem kennelijk te machtig.

Pierre moet snel even naar ober Peter of naar collega Frits : zijn rechter handpalm, zijn idem schoen en mijn linker revers zien rood ineens. Pierre en mijn moeder de pest in dus. Ik niet zó. Ik heb voorts het geluk dat ik mij volledig kan concentreren op alle overgangsrituelen waaraan ik word onderworpen. In tegenstelling tot de meeste lotgenoten heb ik namelijk al verkering. Weliswaar pas sinds zeer kort, maar vaststaat dat het vast is : duurzaam zelfs. Met een zoektocht op dat terrein hoef ik mijn tijd dus niet te verdoen. Handig ook bij verplichtingen als inauguratiebal : in De Vereeniging verschijnen we samen voor het eerst in vol ornaat.

trouwne

4

Maar dan!  Zo soepel als ik me door overgangsperiodes pleeg heen te bewegen, zo stroef gaat het als deze voorbij zijn.

’s Mensen lot, en zeker het mijne, schept er, tot overmaat van ramp, genoegen in, juist deze moeilijke levensepisodes aanzienlijk langer te laten voortduren dan mijn geliefde switchmomenten. Gewoonlijk is het een kwestie van jaren maar liefst,” Tropenjaren” zeg ik wel eens in kleinere kring. Ter adstructie zal ik me beperken tot een paar voorvallen uit de zware jaren die volgen op mijn ontgroening.

Voor een goed begrip moet ik hier wel eerst even uitweiden over de ernstig belemmerende omstandigheden waarin thuiswonende studenten plegen te verkeren. Aan Nijmeegse generatie- en dispuutsgenoten als Jan C, Ton Gr en Theo JodH zijn deze evenmin ongemerkt voorbijgegaan, zoals we allen hebben kunnen zien!

Toch ben ik van mening dat ikzelf nog het meest heb moeten opboksen tegen een onaangepaste gezinssituatie. In mijn geval betreft het een paar zwaar katholieke ouders en zes gelukkig wat lichter uitgevallen broers. We leven thuis onder het met enige regelmaat uitgesproken motto : ‘zuinigheid met vlijt’, waarvan het eerstgenoemde nu eenmaal moeilijk verenigbaar is met de ambities van een aanstormende student. Zeker wanneer het, zoals bij mij, de eerste van de zonen betreft die verteerd wordt door een onbedaarlijke studentenlevenbegeerte.

De aanwezigheid en het gedrag van de broers in mijn nabijheid zijn op zichzelf wel lastig, maar hun invloed gaat hoogstens ten koste van de studie. Wie bij ons thuis namelijk een uitdaging voor een schaakpartijtje afslaat, is DEFINITIEF niet (meer) de beste. Een ondraaglijk gevolg. Vooral in examen- of tentamentijd regent het bijgevolg uitdagingen, maar met slim gesluip door de gangen op de juiste momenten, valt hier toch wel aan te ontglippen.

Prettiger, maar veel tijdrovender, zijn andere geregeld terugkerende broederlijke activiteiten. Ik beperk me hier tot onze niet aflatende bemoeienis met de openbare telefooncel op het pleintje tegenover. We hoeven van de cel slechts het nummer te draaien wanneer er iemand binnenstapt, en te zwijgen wanneer de hoorn wordt opgenomen. De lijn blijft vervolgens keurig bezet, en vanachter ons raam zien en horen we (luid door het metalen aanhangsel onder het opbelapparaat omlaag kletterende munten) de vergeefse pogingen om verbinding te maken.

5

Gewoonlijk ontstaat dan aan de deur een lange rij wachtenden (“er zijn nog acht wachtenden nà u”, grinniken we dan),die met enige regelmaat komen aanbieden het ook eens te proberen. Aardige meisjes lukt het dan meestal ineens wel, maar wie na haar komt weer niet,.. etc.

Ernstiger is het probleem van de ouders. Hun bovengenoemde zuinigheid is uiterst onhandig voor een zoon die zijn eerste stappen probeert te zetten naar een bruisend studentenleven. Hoe doe je zoiets met een volstrekt onaangepast en benepen zakcentje? Hiermee zijn zelfs onze gerechtvaardigde rookbehoeften nauwelijks te dekken. Zoals mijn broers, word ik door deze ouderlijke opstelling gedwongen het duurbetaalde pakje shag over meerdere weken uit te spreiden. Om op het laatst onze rizlas niet te hoeven vullen met onrolbare droge kruimeltjes, moeten we het pakje zelfs doormidden snijden, het tweede gedeelte voorzien van goed vochtige aardappelschillen en het tenslotte hermetisch inpakken in zilverpapier (dat we dus nog even niet ‘naar de missie kunnen laten gaan’). Deze financiële beknotting is behoorlijk irritant, zeker nu ik me als aankomend Toortslid extra flink wil laten gelden.

Tot overmaat van mijn krapte kent het dispuutsleven in deze jaren twee optredens per dag. In het middaguur treffen we elkaar in de penetrant riekende, maar vers bijgeveegde, kroeg. We zitten dan vrij burgerlijk in een kring en discussiëren als de besten. Naar mijn maatstaven gaat het er daarbij wel erg royaal aan toe : kopjes koffie natuurlijk (vanwege de vorige avond) gevolgd, behalve door pils, vaak ook nog door wat glaasjes oude klare. Voor mij is dat allemaal financieel niet bij te benen. Als Nijmegenaar kan ik mij met goed fatsoen gelukkig wel afzijdig houden bij de porties voer die vervolgens worden aangerukt. Grote borden frites vaak, mayonaise, mosterd, soms aan de randen zelfs gelardeerd met één of twee lullen die met een b beginnen. Ik neem een laatste slokje van mijn koffie en vraag me af waar iedereen dat allemaal van doet. Dan maar naar huis: “kijken wat de pot schaft”, mompel ik voor de zekerheid nog voor me heen. Wat te luid misschien.

Ook ’s avonds verschijnt eenieder weer ten Rolande. Om 10 uur gaat het etablissement open, maar mij is snel duidelijk dat je vóór elven toch niet echt wordt verwacht. Nu pas krijg ik door waar die vreemde geur van de dag erop vandaan komt.

6

Verder valt me op dat alle medegasten elkander uiterst zelfverzekerd benaderen. Nogal luidruchtig ook. Velen worden kortweg aangesproken met “Lul!!”.

In één opzicht komt de onoverzichtelijke kroegtijgerlijke drukte die er woedt, mij niet slecht uit. Ook ’s morgens vroeg heeft niemand door dat hij mij al veel eerder heeft zien lopen met dat bodempje bier.

Het avondleven is financieel dus beter hanteerbaar dan dat van overdag. Aanvankelijk heb ik ook niet door dat het me daarentegen lichamelijk dreigt te slopen. Als door een wonder zal ik twee jaar later worden gered..

Uit bovenstaande schets van mijn situatie thuis heeft de goede lezer al lang begrepen dat het aldaar niet geaccepteerd zal worden dat ik zo laat ’s avonds nog op pad ga (naar ‘wie weet waar naar toe’). Dat ben ik zozeer met hem eens dat het niet eens bij mij opkomt, dat te bestemder plekke aan te kaarten. Ik neem mijn toevlucht tot een bezweringsformule, die voor zover ik weet, twee jaren lang mijn ouders het zicht heeft benomen op wat ik precies (in het donker) uitspook.

“Nou, welterusten dan” zeg ik thuis zo tegen half elf reeds, ogenschijnlijk vermoeid door weer zo een zware college- en studiedag, om vervolgens op kousenvoeten (door de achteruitgang natuurlijk) het huis uit te glippen. Een haan kan er gelukkig niet naar kraaien, want dieren houden we niet. Ook de terugkeer voor of na het ochtendgloren verloopt steeds vlekkeloos..

Ik ken niemand die zo goed is ingevoerd in de feesten van het kerkelijk jaar als mijn moeder. Ook weet zij precies welke dagen met kerkbezoek moeten worden opgeluisterd. Natuurlijk weten wij ook wel dat er ‘Verplichte Feestdagen’ zijn en dat je bijvoorbeeld op Witte Donderdag, op Eerste Vrijdag en op Priesterzaterdag daarvoor moet aantreden, maar deze kennis blijkt volstrekt onvoldoende. Wie kent bijvoorbeeld al die Mariafeesten uit zijn hoofd (om van die onverhoedse en eindeloze novenen maar niet te spreken)? Op dit punt zijn we dus alle zeven afhankelijk van de kennis van moeder, en deze kwijt zich trouw van haar plicht om ons tijdig te wekken voor de mis. Deze begint echter reeds om half acht (‘s ochtends) en wij worden geacht daar gewassen en netjes gekleed te verschijnen. Kleine meevaller is wel dat wij daar nuchter moeten aantreden : aan ontbijten hoeven (lees : mogen) we van tevoren dus geen tijd te besteden.

7

En dan snap ik het pas : ik blijk mezelf in de val te hebben gelokt! Wat te doen, als je net in bed ligt en je lieve moeder bazuint in alle vroegte van onderaan de trap een dergelijk kerkelijk feest naar boven? “Opstaan : Gulden Mis” bijvoorbeeld. In zo’n geval zit er niets anders op dan je verlies te nemen : alweer een woensdag naar de pietgijs. Bij bekende grotere feesten kun je met het kroegbezoek nog wel wat voorsorteren (donderdag vóór de eerste vrijdag bijvoorbeeld), maar als je weer eens wordt overvallen met een totaal onbekend feest of heilige, dans sta (lig) je volkomen machteloos: bek dicht en aankleden dus maar. Het zijn een paar zware jaren. Hoe houd ik dat vol?

Op een keer slaat me de schrik om het hart wanneer ik ’s nachts zo tegen drieën huiswaarts loop : zie ik het goed? Staan er mensen voor de voordeur? Naderbij geslopen blijkt dat inderdaad zo te zijn. Inbrekers zijn het niet. Daar staan een man en een vrouw die voortdurend met hun handen in elkaars zakken zitten en ook in die van zichzelf. Daar wil ik dus graag het mijne van weten, maar nòg dichterbij geslopen, zie ik dat het, oejoei, mijn ouders zijn! Dubio dus : verstoppen of toch maar tevoorschijn komen? Zachtjes neuriënd treed ik tenslotte manmoedig uit het duister tevoorschijn..

“Waar kom jij vandaan?!” roepen ze in duet. Ikzelf durf uiteraard geen vragen te stellen, maar al snel blijkt mijn verschijning die van een reddende engel. Ook zij hebben mijn sleutel nodig om binnen te komen.

Uitgesloten is het niet dat iemand dat wonderlijk tafereel vanuit de telefooncel heeft gadegeslagen. Daar heb ik in de consternatie niet op gelet. EN DAT DOET ER OOK HELEMAAL NIET TOE!! Veel belangrijker is dat ik vanaf deze nacht, ’s avonds openlijk naar De Kroeg kan (en weer terug), en zelfs verdenk ik mijn lieve moeder ervan dat zij me op bepaalde kerkelijke feestdagen ‘gewoon’ laat doorslapen..

Het is ook ongeveer in deze tijd dat ik geheel onverwachts weer een van mijn bekende soepele switches moet verrichten. Na anderhalf jaar studie (daar gaat men kennelijk van uit) wordt er van twee kanten professioneel aan me getrokken. Het Canisiuscollege, mijn oude school, wil mij in september 1954 (“nu al ?”) als docent benoemen! Daar is dus nog minder mensenkennis aanwezig dan ik dacht. Bovendien is er nog een kaper op de kust. De carmelieten van De Grundel in Hengelo (OVERIJSSEL!) laten zich niet zomaar deze (Franse) kaas van het brood eten. Ook daar ben ik dus meer dan welkom.

8 Wie zo goed met Limburgers, ja zelfs met een paar Polen (M. en F.), door één deur kan, draait zijn hand niet om voor onze bloedeigen Tukkerse pubertjes, zo betogen ze.

Zelf voel ik voor beiden niets. Mijn vader voegt me echter toe dat ik deze buitenkans niet mag laten passeren en hij overdondert mij met een argument dat, hem te geloven, volstrekt doorslaggevend is : “dienstjaren!”. Daar heb nog nooit van gehoord, maar als dat zo beslissend is, dan moet het maar. Een onderwijscarrière buiten Nijmegen kan ik me echter niet voorstellen, dus besluit ik maar in te gaan op de baan in het verre Twente : als het daar misgaat (en waarom zou dat niet?), dan komt men daar in Nijmegen niet zo gemakkelijk achter, hoop ik.

Vanaf nu voel ik me ook volwaardig kroeg- en Toortslid. ’s Avonds terugkerend van ‘mijn werk’, snel naar de kroeg : en daar ziet gelukkig niemand mijn jubelende innerlijk als ik een rondje geef alsof het de gewoonste zaak van de wereld is! Bij de Toorts word ik op allerlei fronten actief, want ook hier is snel bekend hoe soepel en snel ik nu te strikken ben, en verder raak ik betrokken bij de oprichting van de Nijmeegse studentenintroductie die de komende jaren hopelijk onmisbaar zal blijken. Later krijg ik wel het gevoel dat men nogal eens misbruik van maakt van mijn welwillendheid : praeses geworden van De Toorts, lukt het me bijvoorbeeld niet binnen de reglementaire termijn een opvolger te vinden. Altijd wordt er door de inventieve vergaderingen wel een reden aangevoerd, waarom ik er nog maar een jaartje aan moet vastknopen. Pas wanneer ik, ten einde raad, een list bedenk en met stemverheffing de vergadering voorhoud dat mijn abdicatie nu toch eindelijk moet plaatsvinden “naar aanleiding van de orde!!” , komt er enige beweging. Een beetje gemeen misschien, maar bij de Toorts is deze formule altijd heilig geweest, en derhalve vaak te onpas en met flinke stemverheffing van stal gehaald om de voorzitter van de vergadering te dwarsbomen. En wie kaatst, moet nu eenmaal de bal verwachten.

Weinig later studeer ik af en verdwijnen de Toortsmakkers aanvankelijk uit het zicht. Maar niet voor goed (zie bewijzen onderaan).

9

Epiloog

Enkele jaren trek ik dus naar Twente. Tweemaal in de week. Ik neem dan de trein van 06.19 uur. Deze staat warm te draaien op perron 3. Nu ik dit schrijf, weet ik zo gauw niet of het perron 3A is of 3B, maar geen probleem : de trein staat rechts. Altijd.

Wie op de hoogte is van de gewoonten van het gezin waaruit ik afkomstig ben, kijkt er in het geheel niet van op dat ik derde klas reis, hoewel mijn reisvergoeding de kosten van de tweede klas vergoedt, ook als ik derde reis! Er is nog een student die op De Grundel lesgeeft en met wie ik dus wel eens samen oploop naar het station in Nijmegen, en later in Hengelo naar school. Maar niet tussendoor. Aangekomen op perron 3, stapt meneer namelijk telkens de tweede klas in met een besmuikt “tot straks dus weer”. Meer dan anders concentreer ik me dan op het loonzakje van eind van de maand.

Meestal reis ik echter alleen.

Op een donderdagmorgen, zo tegen zessen, wordt mijn gehaaste pas op het Keizer Karelplein, aan de voet van de Oranjesingel, onderbroken door enkele luide stemmen met een hoog promillage. Onverstoord loop ik door, maar ik merk al snel dat de decibellen plotseling rechtstreeks op mij worden afgevuurd : “Wat doe jij hier?”

Opkijkend, herken ik terstond een vijftal dispuutsvriendjes die onder leiding van Wim S en Harrie V een poging doen terug te keren naar hun kast. “Ik ga naar mijn werk” zeg ik zo neutraal mogelijk. “Oh, maar dan brengen we je toch even weg” is hun èrg hartelijke reactie. Zij praten sneller dan ze lopen. Ze hebben moeite me bij te houden. Gelukkig is het niet zover meer naar het station. Maar dan moeten we ook nog helemaal naar 3, waar mijn trein al in de starthouding staat, en waar het zootje vrijwel buiten adem arriveert. Toch heeft een van mijn makkers nog de kracht om te vragen of ik “in die stinkende arbeiderstrein” moet. Met een snel “ja, er gaat nu eenmaal geen andere” haast ik me naar mijn plaats, alwaar ik zo snel mogelijk het raampje open om bij het wegrijden dankbaar terug te zwaaien naar mijn begeleiders..

Als ik mijn kop naar buiten steek, zie ik tot mijn teleurstelling dat niemand zwaait. Er is geen enkele aandacht voor de trein : de heren studenten staan in een kringetje, voorovergebogen naar beneden te kijken, en het is net of daar iemand op het perron ligt..

10

Wanneer ik ’s avonds in de kroeg informeer wat er precies aan de hand was, zie ik veel lachende gezichten : een van mijn medereizigers blijkt zich zozeer te hebben gestoord aan de opmerking over “die stinkende arbeiderstrein” dat hij de spreker eens flink van repliek is komen dienen. Zo een arbeidersvuist kan hard aankomen! Voordat je het weet, lig je languit.

Wat valt daar nou mee te lachen?

promotie Albinski
1997 We worden bij de promotie gefeliciteerd door Marian Albinski (en vele andere Toortsleden)

 

Tennisgroep het het Toortslied aan, 2003
2003, Tennisgroep het het Toortslied aan, 2003
Tennisgroep Toorts 2013
2013,  De tennisgroep bij Frank Willekens in Den Bosch

Op 26 november 2015 voerde Coen Beeker in Lent een  lang gesprek met Jan Schillings en Pierre Coehorst. Een deel daarvan, voor over Esperanto, is via deze link naar YouTube te bekijken en te beluisteren.