Mebius Wolke

Toen wij uit Spakenburg vertrokken ………..

Het was juli 1964. Een aantal dispuutsgenoten had ingetekend op een week zeilen met een botter op het IJsselmeer. Ik weet zeker dat enige opstappers niet wisten waar ze aan begonnen en welke barre avonturen mogelijk in het verschiet zouden kunnen liggen. Dat gold, eerlijk gezegd, ook voor mij. In – achteraf bekeken – jeugdige overmoed, had ik dus voor een week een botter van zo’n meter of 15 gehuurd.

Ik was de eerste die aan boord kwam. Ons schip, met de toepasselijke naam HOU VOL, zag er bij eerste inspectie nogal verwaarloosd uit.

Het regende en er stond een stevige zuidwestenwind. Het was koud voor de tijd van het jaar.. Het grote voordek, waaronder onze slaapplaatsen/kooien zich bevonden, lekte door de kieren in de houten planken. De bovenste kooien waren zeiknat, de kooien daaronder iets minder, zacht uitgedrukt.
De zeiluitrusting was gedateerd. Een van de zijzwaarden was in de week ervoor kapot gevaren en vervangen door een nog ouder exemplaar, wat meer leek op een oude deur dan op een zijzwaard. Er groeide gras op een van de houten spanten van het schip. Dat is vrij ongebruikelijk… Ik was dus de schipper op dit grote schip in matige conditie.

Mijn goede vriend Frans Bruinsma uit mijn middelbare schooltijd in Bolsward had de week voor ons met Delftse studenten op ditzelfde schip gevaren. Hij gaf mij in een plaatselijk café enige tips over het varen op het IJsselmeer en dat was het dan. Samen hadden wij ons vroeger, op het Sneekermeer, de eerste beginselen van het zeilen eigen gemaakt. Verder moest ik het maar doen met mijn zeilervaring als instructeur op de Friese meren. Frans ging naar huis om zich voor te bereiden op zijn bruiloft. Hij “moest” trouwen, vertelde hij mij. Enfin, het was begin zestiger jaren.

Ik dacht “het zeilen gaat hetzelfde”. Maar, er komt op zo’n schip wel wat bij. Ik vroeg me af hoeveel groter de krachten zouden zijn; hoe er genavigeerd zou moeten worden wanneer we het IJsselmeer op zouden gaan terwijl er geen werkend kompas aan boord was en of die kleine buitenboordmotor wel voldoende vermogen zou hebben voor het in- en uitvaren van havens, vooral als de wind wat stevig op de kop zou staan, enz.enz. Ik vertrouwder maar op mijn Friese meren zeilvaardigheden.

Aan het eind van de middag kwam de bemanning aan boord. Ze waren naar een receptie geweest. Frank Willekens reed het gehuurde busje. Voor zover ik me kan herinneren gingen aan boord Toon Ploegmakers, Coen Beeker, Martien Nieland, Charlie van der Hout, Hans Volman, Kees van Bezooijen, Henk van de Roer en mogelijk nog een of twee dispuutsgenoten.

De stemming was “ post-receptie” uiteraard zeer opgewekt. Niemand klaagde over het natte vooronder. De bemanning liep wat onwennig op deze toch wel grote schuit heen en weer. Een paar begonnen de bun van het schip te lozen, wat een onbegonnen werk is. Een bun hoort namelijk vol water te staan, om de nog levende vis in te bewaren. Wisten zij veel!!!! Ze kregen het er in ieder geval warm van en dat was mooi meegenomen.

De eerste avond verkenden we Spakenburg. Het was het bekende werk, als een aantal studenten een avondje gaan stappen. Spakenburg was wel niet Nijmegen, maar we vermaakten ons best. Daarna de natte kooien in en ‘s morgens op tijd op.
Het buitenboordmotortje bleek met geen mogelijkheid aan de praat te krijgen. Heel veel trekken aan een touwtje leverde niks op. Dan maar op het zeil naar buiten.
Dat ging wonderwel goed.

Al snel lieten we Spakenburg achter ons. Het was nog steeds grauw weer. Het regende zo nu en dan en het waaide dat het rookte. We zeilden zo’n beetje naar het noorden over een stuk IJsselmeer wat nu Flevoland is. Een nauwkeurige richting konden we niet vaststellen, omdat het kompas het dus niet deed.

Ik vertrouwde op mijn richtingsgevoel. Bovendien had iemand een draagbare radio meegenomen. We konden, ondanks slechte ontvangst vanuit Hilversum vernemen, dat de wind zuidwest was. Dit betekent met de zeilen ruim uit een koers naar het noorden.
We hadden gelukkig wel een kaart van het IJsselmeer, waarop we konden zien waar we ongeveer door de Knardijk, een “gat” in de dijk van de toekomstige Flevopolder moesten varen. Flevoland was toen dus nog water. Dat “gat”vinden viel nog niet mee. Vanwege de grauwe lucht is zo’n dijk al moeilijk te zien, laat staan een gat van ongeveer 500 meter breed in zo’n veertig kilometer lange dijk.

Meer dan de helft van de bemanning was inmiddels behoorlijk zeeziek. Toon Ploegmakers, Kees van Bezooijen en ik waren de drie mannen, die het schip op koers hielden. Coen Beeker zat zeeziek op de punt als uitkijk. Hij zag het gat in de dijk het eerst. Ik was zeer opgelucht.

Om de bemanning niet ongerust te maken had ik aan niemand verteld dat we, met deze harde wind, het gat in de dijk meteen moesten vinden. Zo niet dan zouden we bij de lage wal van de dijk uitkomen en zouden we veel hebben moeten manoeuvreren. Dat zou met deze harde zuidwesterwind niet simpel geweest zijn, mede door de deplorabele conditie van een aantal opvarenden.

Na het gat in de Knardijk voeren we richting het Paard van Marken, dat mooie witte vuurtorentje, met daar tegenaan een torenwachters huisje geplakt. De zeezieken knapten weer een beetje op, omdat we nu op een comfortabelere koers in de luwte van de dijk lagen.

Voorbij het Paard stoven we richting Volendam. Een haven die voor mij volkomen onbekend was. Ik had alleen vooraf een klein kaartje van de haven bestudeerd. Ik ging ervan uit dat het wel zou lukken. Wat moest ik anders!!!!

Ik had met de bemanning een eenvoudige doch doelmatige ”zeilstrijk” instructie voor binnenlopen in de haven van Volendam doorgesproken. Ik zei: “we gaan de haven zonder motor inzeilen, want dat ding doet het niet. Als we dus de haven inzeilen, laten jullie op het moment dat ik het zeg. alle zeil naar beneden donderen”.

Zo gezegd zo gedaan. Na eerst nog een uitwijkmanoeuvre voor de snelle veerboten, die tussen Volendam en Marken op en neer varen, stoven we de haven in. Toen kop in de wind en al het zeil naar beneden.. Tot mijn opluchting dreven we prachtig, al snelheid minderend, door de haven en legden heel rustig aan bij de visafslag. Een paar Volendammers maakten ons een compliment. Dat is natuurlijk leuk. Maar ik was vooral blij, dat we dit avontuur zonder kleerscheuren geklaard hadden.

Daar moest natuurlijk op gedronken worden. Wij dus met zijn allen het café ingedoken tot in de kleine uurtjes. De volgende dag was het stralend weer. We droogden de natte spullen door ze over de giek te hangen. De stemming was nog steeds opperbest.

De rest van de week hebben we dit mooie weer gehouden. We zijn al zeilend zo’n beetje het hele zuidelijke deel van het IJsselmeer over geweest. Iedere avond lagen we in een andere haven.

Ik herinner me nog dat we in Hoorn het standbeeld van Jan Pietersz Coen met vlaggenlijnen vastgezet hebben. Hadden we toen al de vooruitziende blik, dat deze houwdegen niet helemaal netjes geopereerd had in zijn veldtochten over zee of was het studentikoze ongein? Coen Beeker –what’s in the name – nam letterlijk het voortouw.

Als ik nu vanuit Friesland door de Flevopolder naar het westen rij, zie ik tussen Lelystad en Almere een kunstobject op de dijk staan. Dan denk ik nog altijd even terug aan deze gedenkwaardige tocht in 1964.

Was getekend, Mebius IJsbrand Wolke, Schipper van de HOU VOL

N.B. ik heb geen enkele foto van deze gedenkwaardige zeiltocht. Wie wel?